logo

Marktwerking

Wat is de marktwerking waar de politiek tegenwoordig de mond vol van heeft?

Een markt is uitwisseling van producten die ergens plaatsheeft èn de plaats daarvan. De Albert Cuypstraat in Amsterdam is een markt, maar ook de effectenbeurs en eBay. Producten kunnen overal uitgewisseld worden, dus eigenlijk is de hele wereld een markt. In de praktijk bedoelen we met markt ruilhandel.

Ruilhandel is wanner twee partijen afspreken dat ieder iets aan de ander geeft. De partijen spreken onderling af hoeveel van het een zij geven voor hoeveel van het ander. Bijvoorbeeld, als een kippenboer graan nodig heeft, en een graanteler eieren, dan kunnen zij deze producten ruilen. Zij spreken dan onderling af hoeveel eieren de kippenboer zal geven tegenover hoeveel graan. Zo bepalen zij de waarde van eieren in graan, en de waarde van graan in eieren. Dit is marktwerking.

Stel de kippenboer heeft wel graan nodig voor zijn kippen, maar de graanteler heeft geen eieren nodig. Hij heeft bakstenen nodig om een oven te bouwen. Daarentegen de stenenbakker heeft geen graan nodig, hij heeft eieren nodig. Die wil de kippenboer niet met hem ruilen, want de kippenboer heeft geen bakstenen nodig. De graanteler kan eerst zijn graan omruilen voor eieren, die hij niet zelf opeet, maar ruilt met de stenenbakker tegen bakstenen. Dit is indirecte ruil. De eieren zijn voor de graanteler een ruilmiddel. De kippenboer en de stenenbakker zijn op de markt indirect met elkaar betrokken via de graanteler. Hun producten worden in waarde vergeleken ook al hebben zij niet direct met elkaar onderhandeld.

Niet alleen producten kunnen geruild worden. Ook bijvoorbeeld arbeid, diensten, vermaak, kennis en ideeën kunnen geruild worden. Als de kippenboer last heeft van een vloek, kan hij aan een geestelijke verzoeken met een toverspreuk deze vloek op te heffen. De boer en de geestelijke spreken dan onderling af hoeveel eieren of ruilmiddel de geestelijke toekomt voor deze dienst.

Graan is niet goed houdbaar. Eieren rotten nog sneller, en zijn bovendien breekbaar. Bakstenen zijn goed houdbaar en breken niet makkelijk, maar zijn nogal zwaar om mee te slepen. Daarom zijn mensen al millennia geleden gaan ruilen in ruilmiddelen die niet bederven en relatief makkelijk te verslepen zijn voor hun waarde. De meest bekende van deze ruilmiddelen zijn de edelmetalen, goud, zilver en koper. In de loop van de geschiedenis werden deze metalen in standaardmaten verhandeld om zo makkelijker de waarde van zeer verschillende producten te kunnen vergelijken. Later zijn banken de meer waardevolle metalen gaan opslaan in reserves, en gaven burgers daarvoor briefjes die de waarde van de metalen vertegenwoordigden. Het principe was dat een burger zo'n briefje weer zou kunnen inruilen tegen het oorspronkelijke metaal. Hiervan komen woorden als “verzilveren” in onze taal.

Op een bepaald moment zijn centrale overheden door de hele wereld de banken gaan overnemen. Om zichzelf te kunnen bekostigen, hebben die overheden de geldbriefjes losgekoppeld van het goud. De briefjes konden toen niet meer ingeruild worden. Ze vertegenwoordigden niet meer de waarde van iets tastbaar, maar kregen een fictieve waarde, die veelal werd bepaald door het vertrouwen van burgers in de briefjes. De woorden 'geld' en 'gulden' hebben ooit echt gestaan voor een bepaald hoeveelheid goud, maar de euro is nog nooit aan de waarde van iets tastbaar gekoppeld geweest. Omdat geld geen vaste waarde meer heeft is het lastiger geworden de waarde van producten en diensten met elkaar te vergelijken. Inflatie maakt dit nog erger. Inflatie ontstaat wanneer de overheid die de valuta beheert steeds meer geld in omloop brengt om zichzelf te bekostigen. Hoe meer er van iets is, hoe minder het waard is, ook geld.

Overheden, waaronder nu de EU, hebben dus het beheer van het ruilmiddel overgenomen, en burgers verboden eigen ruilmiddelen te kiezen. Ook op andere manieren hebben zij verregaand ingegrepen in ruilhandel. Bijvoorbeeld, van oudsher hebben zij burgers gedwongen een deel van hun (ruil)product af te staan aan de overheid (belasting). Toen arbeid begon beloond te worden met geld (loon) in tegenstelling tot producten of diensten, werd op den duur ook dat belast (inkomstenbelasting).

Maar de inmenging van overheden is nog verder gegaan. Zij bepalen bijvoorbeeld in welke producten en diensten gehandeld mag worden. Bepaalde producten en diensten worden verboden, bijvoorbeeld cocaïne en prostitutie. Andere producten en diensten worden onderhevig gemaakt aan strenge regelgeving, bijvoorbeeld wapens en geneeskunde. Weer andere producten en diensten worden verplicht, bijvoorbeeld bepaalde verzekeringen.

Overheden bieden zelf ook producten en diensten aan. Die zijn vaak verplicht, of mogen niet van een andere bron afgenomen worden. Voorbeelden uit het verleden en heden zijn wegennet, openbaar vervoer, gezondheidszorg, onderwijs, energievoorziening, post, telefonie en zelfs vermaak (kijk- en luistergeld). In ruil voor die producten en diensten, dwingen de overheden betaling van de burgers af. Omdat burgers niet zelf mogen beslissen over deze zaken, en niet mogen concurreren met de overheden, is deze markt, als het al een markt genoemd kan worden, niet vrij.

Burgers mogen niet zelf beslissen hoeveel zij bereid zijn te betalen voor de producten en diensten die overheden verhandelen. Er wordt niet onderhandeld, maar eenzijdig door de overheid opgelegd. De waarde wordt door de overheid bepaald, en eventueel met dwang geïnd (belastingen). Ruilhandel in overheidsproducten en -diensten is dus niet vrij. Er is geen marktwerking.

Op Koninginnedag spreken we van een 'vrijmarkt'. Dan zijn sommige regels tijdelijk opgeheven, zodat er producten en diensten geboden en afgenomen mogen worden die normaal niet mogen, of op een manier die normaal niet mag, en er wordt in veel gevallen geen belasting geëist. We kunnen dus op Koninginnedag even een beetje proeven wat een vrije markt is, alhoewel bedrijven niet mee mogen doen met de vrijmarkt. Buiten Koninginnedag bestaat er nauwelijks een vrije markt meer. Verregaande regelgeving grijpt in zodat de markt niet vrij is, alhoewel hij in sommige aspecten minder onvrij is dan anderen.

Dit heeft verstrekkende gevolgen. Mensen kunnen (deels) niet meer zelf onderhandelen. Zij bepalen dus niet meer zelf hoeveel een product of dienst hun waard is. Zij kunnen niet altijd ruilen met wie zij willen, of met wat zij willen. Omdat zij zelf geen afspraken mogen maken over bepaalde producten en diensten, zullen zij ook niet precies krijgen wat zij willen. Hierdoor ontstaat onvrede. Hoe meer een markt vrij is, hoe meer de partijen tevreden zullen zijn. Hoe minder vrij, hoe minder tevreden. Wij horen bijvoorbeeld werknemers in het onderwijs en de gezondheidszorg veelvuldig mopperen over hun lage salaris, terwijl hun cliënten veelvuldig mopperen over de kwaliteit van de geleverde diensten. Daarentegen horen we vrijwel nooit dat bijvoorbeeld werknemers of cliënten van kledingwinkels of loodgieterbedrijven ontevreden zijn. Alhoewel er in Nederland geen geheel vrije markt bestaat, is er in kleding en loodgieterij nog altijd veel meer vrijheid dan in onderwijs en gezondheidszorg.

Is dan de nieuwe "marktwerking in de zorg" een verbetering? Nee, want dit is nepmarktwerking. De overheid bemoeit zich nog altijd evenveel met de relaties tussen zorgconsumenten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars door daar allerlei wetten en regels voor te maken. De partijen zijn nog steeds niet vrij onderling af te spreken wat zij willen.

De Vrijheidslijst zet zich in voor een échte in alle aspecten vrije markt. Wij vinden dat burgers zelf onderling  mogen beslissen welke producten en diensten zij aanbieden of afnemen, van welke kwaliteit, tegen welke prijzen en met welke voorwaarden. Zo kunnen burgers hun eigen belangen behartigen. De kans dat zij tevreden zijn met hun eigen keuzes is veel groter dan dat zij tevreden zijn met de keuzes die overheden (hun gemeente, Nederland, de EU) voor hen maken. En wanneer overheden niet meer van alles voor de burger bepalen, hebben die overheden ook niet geld nodig om dat mee te doen. Dat geld blijft dan in de zakken van de burgers, die het uit kunnen geven aan de producten en diensten van hun keuze. Van vrijheid wordt de burger meer tevreden en meer welvarend.

Daarom is ons motto: Markt vrij, volk blij.
plant

Volgende
Vorige
Overzicht standpunten
Hoofdpagina